qikker december 2, 2021 Geen reacties

Onderzoeksrapport brievenbusfirma’s in Nederland

De commissie, die onderzoek heeft gedaan naar de activiteiten van brievenbusfirma’s of doorstroomvennootschappen in Nederland, heeft haar onderzoeksrapport afgerond. In het rapport besteedt de commissie aandacht aan de rol van fiscale factoren op de aanwezigheid van doorstroomvennootschappen, de rol van niet-fiscale factoren daarop en de samenhang tussen belastingontwijking en witwassen. De staatssecretaris van Financiën heeft het rapport met een reactie van het kabinet naar de Tweede Kamer gestuurd.

Volgens de commissie is het niet mogelijk om een sluitende definitie te geven van een doorstroomvennootschap. De beoordeling of sprake is van een doorstroomvennootschap zou moeten gebeuren aan de hand van kenmerken als de aanwezigheid van een internationale structuur, transacties met gelieerde partijen, beperkte reële aanwezigheid in Nederland, fiscale, financiële of juridische motieven en grote internationale geldstromen of balansposities.

Nederland kent een groot aantal doorstroomvennootschappen. Op basis van gegevens van De Nederlandsche Bank ging het in 2019 om circa 12.400 doorstroomvennootschappen. De rente-, royalty- en dividendbetalingen, die door deze vennootschappen stromen, bedroegen in de periode 2015-2019 170 miljard euro per jaar. De komende jaren zal moeten blijken of de door het kabinet in de afgelopen jaren genomen maatregelen het gewenste effect hebben op de ongewenste doorstroom van geld.

De commissie doet een aantal aanbevelingen in het rapport, onder meer betreffende een uitbreiding van de spontane uitwisseling van informatie met andere belastingdiensten. Daarnaast doet de commissie aanbevelingen op het gebied van het jaarrekeningenrecht en ten behoeve van transparantie van juridische entiteiten.

Het is aan een volgend kabinet om de aanbevelingen van de commissie te beoordelen en eventueel om te zetten in beleid.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 21-11-2021
qikker december 2, 2021 Geen reacties

Te laat verstrekken gegevens lening van vader verhinderde renteaftrek

De rente van schulden, die deel uitmaken van de eigenwoningschuld, is aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Voor zover een lening niet is verstrekt door een renseigneringsplichtige instelling zoals een bank, moeten bij de aangifte gegevens worden verstrekt over de schuld, de rente, en de identiteit van de geldverstrekker. De verplichting om deze gegevens in de aangifte te vermelden, heeft tot gevolg dat deze uiterlijk op het moment waarop de aanslag onherroepelijk wordt moeten zijn verstrekt. De aanslag staat onherroepelijk vast op het moment waarop de wettelijke bezwaartermijn van zes weken is geëindigd.

Een vrouw financierde de aankoop van een eigen woning deels met een hypothecaire lening van een bank en deels met een lening van haar vader. In de aangifte inkomstenbelasting over 2016 heeft de vrouw wel de lening van de bank als eigenwoningschuld vermeld, maar niet de lening bij haar vader. De rente over deze lening is in de aangifte niet in aftrek gebracht. Bijna een jaar nadat de aanslag was vastgesteld heeft de vrouw een herziene aangifte over 2016 ingediend, waarin zij de aan haar vader betaalde rente wel in aftrek heeft gebracht. Bij de herziene aangifte zijn de benodigde gegevens van de door vader verstrekte geldlening overgelegd. De Belastingdienst heeft de herziene aangifte als bezwaarschrift aangemerkt. Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn en vervolgens als verzoek om ambtshalve vermindering behandeld en afgewezen.

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de vrouw over 2016 geen recht op aftrek van de aan haar vader betaalde rente, omdat de gegevens van de lening te laat zijn verstrekt. De door haar vader verstrekte geldlening was in het jaar 2016 geen onderdeel van de eigenwoningschuld. De Hoge Raad heeft dat oordeel onderschreven.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20211719, 20/03558 | 18-11-2021
qikker december 2, 2021 Geen reacties

Werknemer nam per direct ontslag

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd hoeft niet de mogelijkheid van tussentijdse opzegging te bevatten. Als deze mogelijkheid ontbreekt, kan de werknemer alleen eerder opzeggen wanneer sprake is van een dringende reden.

Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd liep tot en met 31 juli 2021. Op 21 juni 2021 heeft de werkgever de werknemer schriftelijk meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Op 30 juni deelde de werknemer aan de werkgever mee dat hij per direct ontslag nam. De werkgever wees de werknemer erop dat de arbeidsovereenkomst niet tussentijds kon worden opgezegd. De werknemer is desondanks niet meer op het werk verschenen. De werkgever vorderde in een procedure bij de kantonrechter betaling van de gefixeerde schadevergoeding. Deze vergoeding is een bedrag gelijk aan het loon in geld over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben als deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De kantonrechter kende deze vordering toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2021.

Daarnaast vorderde de werkgever terugbetaling van een onverschuldigde (loon)betaling wegens teveel opgenomen vakantiedagen. De kantonrechter wees ook deze vordering toe, omdat de werknemer erkende teveel verlofdagen te hebben opgenomen.

Bron: Rechtbank Rotterdam | jurisprudentie | ECLINLRBROT202111013, 9387832 VZ VERZ 21-13983 | 02-11-2021
qikker december 2, 2021 Geen reacties

Hof wijst vordering tot opschorting UBO-wetgeving af

De stichting Privacy First heeft de Nederlandse staat voor de rechter gedaagd vanwege de invoering van het UBO-register. Het UBO-register is het gevolg van de implementatie van de vierde en vijfde Europese anti-witwasrichtlijn in Nederlandse wetgeving. Een UBO is de ultimate beneficial owner of de uiteindelijk begunstigde van een juridische entiteit. Van de UBO’s van in Nederland gevestigde vennootschappen en andere juridische entiteiten worden de volgende gegevens in het Handelsregister opgenomen:

  • het burgerservicenummer;
  • een fiscaal identificatienummer van een ander land;
  • de naam, de geboortemaand en het geboortejaar, de woonplaats en de nationaliteit;
  • de geboortedag, de geboorteplaats, het geboorteland en het woonadres;
  • de aard van het door de uiteindelijk belanghebbenden gehouden economisch belang en de omvang van dit belang, aangeduid in bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen klassen.

De naam, geboortemaand en -jaar, de woonplaats en nationaliteit van een UBO, alsmede de aard en omvang van zijn belang kunnen door iedereen, die dat wil, worden ingezien. Andere gegevens zijn niet voor het publiek toegankelijk, maar wel voor de financiële inlichtingeneenheid of een andere bevoegde autoriteit.

Privacy First heeft gevorderd dat de verplichting om gegevens over de UBO aan te leveren en het recht van eenieder om gegevens over de UBO in te zien buiten werking wordt gesteld of in ieder geval wordt geschorst. Volgens de stichting zijn deze bepalingen in strijd met het Handvest van de grondrechten van de EU, de EU-beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit en de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen op de grond dat toewijzing ertoe zou leiden dat de Staat niet voldoet aan zijn verplichting tot het inrichten van een nationaal openbaar UBO-register. De Nederlandse rechter kan de nationale wetgeving ter implementatie van een Europese richtlijn niet buiten werking stellen zonder dat het Hof van Justitie EU de ongeldigheid van die richtlijn heeft vastgesteld.

Wel heeft de nationale rechter de ruimte om de tenuitvoerlegging van EU-regelgeving op te schorten in afwachting van een oordeel van het Hof van Justitie EU over de geldigheid van die regelgeving. Dat kan alleen als de zaak spoedeisend is en voor de verzoeker onherstelbare en ernstige schade dreigt. Die schade voor UBO’s is volgens de rechter door Privacy First niet aangetoond.

In hoger beroep heeft Hof Den Haag het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof voelt zich, als niet zijnde de hoogste nationale rechter en oordelend in kort geding, niet verplicht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU te stellen.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA20212176, 200.293.732/01 | 15-11-2021
qikker december 2, 2021 Geen reacties

Consultatie verlaging maximale kredietvergoeding

De maximale vergoeding voor consumptief krediet op jaarbasis bestaat uit de wettelijke rente, vermeerderd met een opslag. Voor deze opslag geldt een wettelijk maximum. Deze opslag bedraagt 12 procentpunten. In verband met de coronacrisis is de opslag op de wettelijke rente tijdelijk verlaagd naar 8 procentpunten. Deze tijdelijke verlaging eindigt op 1 juli 2022. Ter voorbereiding op een mogelijke structurele verlaging van de maximale kredietvergoeding wordt een voorstel ter consultatie voorgelegd om de opslag per 1 juli 2022 structureel te verlagen naar 8 procentpunten. Uitgaande van de huidige wettelijke rente zou de maximale kredietvergoeding daarmee uitkomen op 10%.

Doel van een verlaging van de maximale kredietvergoeding is het voorkomen van financiële problemen voor consumenten. De verlaging zou ook kunnen zorgen voor een strenger acceptatiebeleid van kredietaanbieders doordat de financiële ruimte voor een risico-opslag wordt verminderd. Tot 17 december kan op het voorstel worden gereageerd via https://www.internetconsultatie.nl/beleidsnotakredietvergoeding.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 18-11-2021
qikker november 29, 2021 Geen reacties

Aanvullende crisismaatregelen vierde kwartaal 2021

Nadat het kabinet onlangs heeft besloten om voor het vierde kwartaal van 2021 de TVL open te stellen, kondigt het kabinet nu de vijfde versie van de NOW aan. Tegelijk wordt de TVL voor het vierde kwartaal verruimd. Ook de regeling voor belastinguitstel wordt verlengd.

NOW-5

De NOW-5 gaat gelden voor de periode van 1 november 2021 tot en met 31 december 2021. De regeling is vrijwel gelijk aan de NOW-4. Het omzetverlies moet ten minste 20% bedragen, het subsidiepercentage is 85, de forfaitaire opslag voor werkgeverslasten 40% en het te vergoeden loon bedraagt maximaal twee keer het maximumdagloon. Het maximaal te vergoeden omzetverlies bedraagt 80%. De referentiemaand voor de loonsom wordt september 2021. De referentie voor de bepaling van het omzetverlies is 1/6 van de omzet van het jaar 2019. Voor starters geldt een afwijkende referentieperiode. Ondernemingen, die zijn gestart tussen 1 februari 2020 en 1 juli 2021, kunnen de periode van 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2021 als referentieomzetperiode hanteren. Ondernemingen, die na 1 juli maar voor 1 oktober 2021 zijn gestart, kunnen hun referentieomzet berekenen oever de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand met omzet tot en met 31 oktober 2021. Deze omzet wordt omgerekend naar twee maanden. Werkgevers kunnen bij de NOW-5 aanvraag niet kiezen over welke maanden zij het omzetverlies willen laten berekenen. In alle gevallen gaat het om het omzetverlies over november en december 2021. De loonsom mag maximaal 15% zijn gedaald zonder gevolgen voor de NOW-subsidie. In de NOW-3 en NOW-4 was dit 10%.

Onder de NOW-5 geldt een bonus- en dividendverbod voor heel 2021 bij een voorschot of definitieve subsidie van € 125.000 of meer. Ook geldt voor deze groep een inkoopverbod voor eigen aandelen. Bij een aanvraag op werkmaatschappijniveau geldt het dividendverbod voor het gehele concern. Het bonusverbod geldt in die gevallen voor het bestuur en de directie van het concern en de aanvragende entiteit.

De regeling voor werktijdverkorting blijft tijdens de NOW-5 van kracht voor niet-coronagerelateerde aanvragen.

Het kabinet streeft ernaar dat werkgevers in december al de NOW-5 kunnen aanvragen en dat de voorschotten nog in die maand betaald kunnen worden. De definitieve vaststelling van de NOW-5 kan vanaf 1 juni 2022 tot en met 22 februari 2023 worden aangevraagd.

TVL

De maximale subsidiebedragen voor de TVL voor het vierde kwartaal worden verhoogd naar € 550.000 voor mkb-ondernemingen en € 600.000 voor grote ondernemingen. Het subsidiepercentage wordt verhoogd van 85 naar 100.

Fiscale maatregelen

Uitstel van betaling van belastingen

Het uitstel van betaling van belastingen over het vierde kwartaal van 2021 voor ondernemers die nog openstaande belastingschulden hebben onder het bijzonder uitstel van betaling vanwege de coronacrisis wordt verlengd. Dit verlengde uitstel van betaling geldt voor alle belastingen die op grond van het Besluit noodmaatregelen coronacrisis voor uitstel in aanmerking komen en waarvan de uiterste betaaldatum voor 1 februari verstrijkt. Deze belastingschuld wordt opgeteld bij de belastingschuld die vanaf 1 oktober 2022 in 60 maanden moet worden afgelost. Ondernemers die niet eerder uitstel van betaling vanwege de coronacrisis hebben aangevraagd of die hun uitgestelde belastingschuld volledig hebben voldaan, kunnen uitstel van betaling aanvragen voor de betaling van hun belastingen over het vierde kwartaal.

Invorderingsrente

De invorderingsrente zou per 1 januari 2022 stijgen van 0,01% naar 1%. Dit gaat niet door. De invorderingsrente blijft tot 1 juli 2022 0,01%. Daarna stijgt de invorderingsrente stapsgewijs per halfjaar naar het oude niveau, zie onderstaande tabel.

  1 januari 2022 1 juli 2022 1 januari 2023 1 juli 2023 1 januari 2024
 Oud regeling   1%   2%   3%   3%   4%
 Nieuwe regeling   0,01%   1%   2%   3%   4%

Grensarbeiders

Voor grensarbeiders zijn afspraken gemaakt met België en Duitsland. Op grond daarvan worden thuiswerkdagen behandeld als dagen, die zijn gewerkt in het land waar normaal zou zijn gewerkt. Deze afspraken lopen tot en met 31 december van dit jaar. Nederland zal beide landen benaderen voor een verdere verlenging.

Vangnet zelfstandigen

Voor zelfstandigen is er inkomensondersteuning beschikbaar in de vorm van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen. De toepassing van dit besluit is tijdelijk vereenvoudigd. Met ingang van 1 januari 2022 zal het Besluit weer zonder wijzigingen worden uitgevoerd.

Bron: Ministerie van Economische Zaken en Klimaat | publicatie | CE-AEP / 21298673 | 25-11-2021
qikker november 25, 2021 Geen reacties

Uitleg correctiebeleid Belastingdienst

De Belastingdienst hanteert een correctiebeleid. Op grond van dat beleid wordt geen navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd als het belastingbedrag niet meer dan € 450 bedraagt. Dit geldt niet in geval van kwade trouw of van repeterende onjuistheden van de kant van de belastingplichtige. In de tekst van de notitie, waarin het correctiebeleid is opgenomen, volgt op het bedrag van € 450 tussen haakjes de tekst “c.q. € 1.000 inkomen”.

Hof Den Haag oordeelde in een procedure dat door de toepassing van het correctiebeleid geen navorderingsaanslag mocht worden opgelegd. De inkomenscorrectie bedroeg aanvankelijk € 2.623. Na bezwaar is de correctie verminderd tot € 1.986. De navorderingsaanslag bedroeg aanvankelijk € 427 en na bezwaar nog € 223. De inspecteur meende dat voor de toepassing van het correctiebeleid aan beide criteria moest worden voldaan. Volgens de Hoge Raad heeft het hof het correctiebeleid juist uitgelegd door te oordelen dat een navorderingsaanslag tot een bedrag van niet meer dan € 450 niet wordt opgelegd, ook al is de aangebrachte inkomenscorrectie hoger dan € 1.000.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20211671, 21/00184 | 11-11-2021
qikker november 25, 2021 Geen reacties

Geen aftrek voorbelasting op bouw woning voor exploitant zonnepanelen

Een ondernemer mag de omzetbelasting, die hem door andere ondernemers in rekening is gebracht voor de levering van goederen of het verrichten van diensten, in aftrek brengen voor zover hij de goederen en diensten gebruikt voor met omzetbelasting belaste handelingen. De ondernemer moet aannemelijk kunnen maken dat aan alle voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek van voorbelasting is voldaan. Een van deze voorwaarden is dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het jegens een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting. 

Het recht op aftrek van de omzetbelasting over in een eerder stadium verworven goederen of diensten veronderstelt dat de voor de verwerving ervan gedane uitgaven zijn opgenomen in de prijs van de belaste handelingen in een later stadium. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband is er ook als de kosten voor de betrokken goederen en diensten deel uitmaken van de algemene kosten van de ondernemer. Het vereiste rechtstreekse en onmiddellijke verband ontbreekt als de ondernemer de uitgave ook zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare economische activiteit had uitgeoefend.

Hof Den Bosch achtte in een procedure aannemelijk dat de belanghebbende de kosten voor de bouw van een woning ook zou hebben gemaakt wanneer zij geen zonnepanelen zou hebben aangeschaft. De belanghebbende was uitsluitend ondernemer vanwege de exploitatie van zonnepanelen. De uitgaven voor de bouw van de woning zijn volgens het hof niet gemaakt ten behoeve van het met zonnepanelen opwekken en tegen vergoeding leveren van energie. De belanghebbende had geen recht op aftrek van de omzetbelasting die drukte op de bouw van de woning.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20213367, 20/00673 | 04-11-2021
qikker november 25, 2021 Geen reacties

Premiepercentages en maximum premieloon 2022

De staatssecretaris van SZW heeft de premiepercentages voor de werknemersverzekeringen en het maximumpremieloon voor het jaar 2022 vastgesteld. Het maximumpremieloon bedraagt in 2022 € 59.706 op jaarbasis. In 2021 was dat € 58.311.

  2022 2021
 AOW  17,90%  17,90%
 Anw  0,10%  0,10%
 Algemeen werkloosheidsfonds (Awf) – laag  2,70%  2,70%*
 Awf – hoog  7,70%  7,70%**
 Uitvoeringsfonds voor de overheid  0,68%  0,68%
 Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) – hoog  7,05%  7,03%
 Aof – laag (kleine werkgevers)  5,49%  n.v.t.
 Uniforme opslag kinderopvang  0,50%  0,50%

*Exclusief tijdelijke verlaging per 1 augustus 2021

**In verband met coronacrisis buiten toepassing gelaten

Bron: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | besluit | nr. 2021-0000165813, Staatscourant 2021, Nr. 46406 | 15-11-2021
qikker november 25, 2021 Geen reacties

Hof Den Bosch geeft richtlijnen voor proceskostenvergoedingen

Hof Den Bosch heeft in een bijlage bij een uitspraak richtlijnen gegeven voor beslissingen over de vergoeding van (proces)kosten. De richtlijnen gelden voor alle gerechtshoven en vervangen een eerdere versie uit een uitspraak van het hof uit 2018. Deze versie werd overigens alleen door Hof Den Bosch zelf gebruikt.

Voortaan wordt een proceskostenvergoeding voor een conclusie van repliek alleen nog toegekend als het hof expliciet heeft gevraagd om repliek of als het hof een op eigen initiatief ingediend aanvullend stuk als conclusie van repliek heeft aangemerkt. De rechter is niet verplicht een door een partij op eigen initiatief ingediend stuk aan te merken als een conclusie van repliek, ook niet als daarop staat vermeld ‘conclusie van repliek’. Wel staat het de rechter vrij een na het verweerschrift ingediend stuk aan te merken als een conclusie van repliek.

In de nieuwe richtlijnen zijn nieuwe situaties opgenomen waarin de hoven kunnen volstaan met een wegingsfactor 0,5 voor de zwaarte van de zaak.

Voor bezwaren tegen een dwangsombeschikking wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar in belastingzaken geldt niet het hogere forfaitaire bedrag van de proceskostenvergoeding. De dwangsombeschikking is gerelateerd aan een besluit, dat is aan te merken als een “wettelijk voorschrift inzake belastingen”. Voor dergelijke besluiten geldt de lagere forfaitaire proceskostenvergoeding.

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch | jurisprudentie | ECLINLGHSHE20213315, 20/00305 | 23-11-2021